Mediteren tegen aardbevingen

Jaren geleden, aan het eind van een 8-weken mindfulness training in het ziekenhuis, merkte een van de deelnemers op dat hij sinds het volgen van de training geen spin meer kon doodslaan. Ik was verbaasd en tegelijk helemaal niet verbaasd.

Verbaasd was ik omdat het daar in het stressreductie programma in het ziekenhuis helemaal niet over gaat. Mensen komen niet naar een ziekenhuis om ‘alle levende wezen te bevrijden’ (zoals we dat in zen reciteren). Als we het in het ziekenhuis over mildheid hebben gaat het over mildheid voor jezelf. Maar ik was helemaal niet verbaasd omdat ik mij ondertussen gerealiseerd had dat mildheid mildheid is. Ook wanneer je mildheid naar jezelf cultiveert, ontdekte ik, breidt die mildheid zich natuurlijkerwijze uit.

Dit is natuurlijk maar een anekdote zonder wetenschappelijke waarde. Maar mensenlevens zijn nu eenmaal anekdotisch en niet theoretisch of statistisch. Als je je alleen maar op de litteratuur over mindfulness baseert, kom je dit nooit te weten. En ik ken ook geen enkele wetenschappelijke studie naar de effecten van mindfulness die de overleving van spinnen als uitkomstmaat heeft.

Dat is het probleem van de vele polemieken over mindfulness, en over westers boeddhisme, en boeddhistisch modernisme, en seculier boeddhisme. Het gaat altijd maar over teksten. Maar wat mensen er in hun concrete levens daadwerkelijk mee doen, kun je niet uit een tekst afleiden.

Nu zijn die polemieken in het boeddhisme niets nieuws. In die zin passen de discussies over mindfulness en over seculier boeddhisme helemaal in het boeddhistische plaatje. De Boeddha van de Palicanon was in debat met de brahmanen en asceten van zijn tijd. Zowel Nagarjuna als de Lotus Sutra weerleggen, elk in een heel andere stijl, misopvattingen die enkele eeuwen later binnen het Boeddhisme ontstaan waren. Huineng verscheurde zelfs de sutra’s (waarschijnlijk niet letterlijk, maar het is een krachtig beeld) … We kunnen blijven doorgaan.

In deze tijd wordt er vaak door historici geopperd dat het Westers boeddhisme niet veel meer te maken heeft met het historische boeddhisme in Azië. Maar het enige echt nieuwe element in de huidige polemiek is de aanwezigheid van historici in het debat, die niet de bedoeling hebben om de dharma te onderrichten maar wel om aan een zo objectief mogelijk geschiedschrijving te doen.

Voor alle duidelijkheid, ik juich dat toe. Ik vind die recente ontwikkelingen in de boeddhologie heel interessant. Maar voor mij als leraar is dat een ‘hobby on the side’. De enige echt belangrijke vraag is: wat betekent de boeddhistische praktijk in het leven van concrete mensen? Wat doen ze ermee?

Nog een voorbeeld. Toen we in de jaren ’80 het klooster van Jinarakkhita in Indonesië bezochten waren we getuige van een (voor ons) heel vreemde praktijk. Mensen schudden een blik gevuld met houten stokjes tot één stokje eruit valt. Op ieder stokje staat een nummer dat overeenkomt met een vakje in een houten kast. In dat vakje vind je een vers. Het is een vorm van waarzeggerij. Het vers is het antwoord op je vraag. Ik moet niet uitleggen dat ik in die tijd geschokt was om dit soort bijgelovige praktijken in een boeddhistische tempel aan te treffen.

Tijdens de pandemie, toen het ineens mogelijk werd om lezingen in het buitenland online te volgen, viel ik als bij toeval op een lezing van een antropologe, Yang Shen, die dit gebruik in een Chinese tempel bestudeerd had. Mensen moesten er vaak een dag voor uittrekken om de tempel te bereiken. Zij beschrijft hoe andere tempelgangers bij het gebeuren betrokken werden, hoe er een gedeeld verhaal op gang kwam. Het was helemaal geen passief gebeuren waarbij het antwoord van een of andere godheid het laatste woord was. Integendeel, het werd een zinvolle interactie tussen alle betrokkenen die de vraagsteller hielp om het oorspronkelijke probleem te herdefiniëren.

Ook dit verhaal is anekdotisch, maar dat is waar mensenlevens over gaan. En ook hier: het gaat niet over wat het op het eerste gezicht lijkt, maar over wat mensen concreet doen.

Een boeiende periode in de geschiedenis van boeddhistische polemieken is middeleeuws Japan. De tijd van Dogen, Nichiren, Shinran en vele anderen die nu gezien worden als belangrijke hervormers en stichters van nieuwe boeddhistische scholen zoals de Soto Zen, en het Reine Landboeddhisme. Maar die opsplitsing in scholen in Japan is een veel latere ontwikkeling. In het Chinese boeddhisme waren die verschillende stromingen ook altijd al aanwezig en zijn ze nooit uitgegroeid tot aparte scholen.

De discussies liepen wel hoog op. Een belangrijk motief was dat het succes van een tempel afhankelijk was van sponsoring door rijke machthebbers. De discussies gingen dus niet alleen maar over thema’s als het oorspronkelijk ontwaken (hongaku) maar ook of bepaalde praktijken effectiever waren in het bestrijden van ziekten en het voorkomen van calamiteiten zoals overstromingen en aardbevingen.

Recent ontdekte ik een bijzonder boeiend boek van Aaron Proffitt over Dohan, een mij tot dan toe onbekende figuur uit diezelfde periode. Ik had bij het lezen het gevoel dat het boek met veel liefde geschreven was. Maar ik ben niet helemaal zeker of de auteur dit als een compliment zou ervaren, want een wetenschappelijk werk hoort tenslotte objectief te zijn.

Dohan schrijft over het Reine Landboeddhisme en het esoterische Shingonboeddhisme. We zouden dat nu twee aparte scholen noemen. Maar voor hem is het één ding. Hij legt verbanden tussen verschillende praktijken. Hij stelt ook een hiërarchie van praktijken en inzichten voor, gaande van de meer oppervlakkige zoals de overtuiging dat je door het reciteren van de naam van Amida Boeddha in het Reine Land zult herboren worden, tot meer diepe en esoterische, zoals bij voorbeeld het inzicht dat het Reine Land zich hier en nu in deze wereld bevindt. Om dan aan het einde van de rit tot de conclusie te komen dat er uiteindelijk geen onderscheid is tussen het oppervlakkige en het diepste en dat de tien stadia van het pad eigelijk identiek zijn aan elkaar, dat er geen oppervlakkiger en geen dieper is.

Profitt noemt Dohan een ‘scholar-monk’, maar voor mij is Dohan ontegensprekelijk wel heel geleerd, maar geen scholar. Ik zie hem als een leraar die probeert de dharma over te brengen (dat geldt overigens even goed voor Dogen of Nagarjuna). Als Dohan zegt dat het begin en het einde één zijn, is dat in mijn beleving geen doctrine maar de observatie van een leraar die ziet wat mensen doen. Zoals ik het aanvoel begrijpt Dohan dat heel goed wanneer iemand na een mindfulness training geen spin meer kan doodslaan. De praktijk van iemand die devoot de nembutsu prevelt hoeft niet minder diep te zijn dan een ingewikkeld geheim ritueel. Het is maar wat mensen ermee doen.

Eén van mijn leraren vertelde dat iedere keer als hij het over de zes paramita’s wou hebben, dat hij nooit verder kwam dan de eerste paramita. De zes paramita’s zijn de zes volmaakte praktijken. De eerste is geven (dana). Je zou kunnen denken dat de vijfde en zesde paramita, meditatie en wijsheid (dhyana en prajna) veel belangrijker zijn. En dat dana maar een praktijk is voor simpele zielen die de discipline niet kunnen opbrengen om te mediteren, en niet intelligent genoeg zijn om de diepste wijsheid voor bij alle wijsheid te bevatten. Niets daarvan. Het zit allemaal al bevat in dana paramita, de simpele act van geven.

Ik begin mij te realiseren dat er in het boeddhisme geen superieure praktijken zijn, maar er zijn zeker praktijken voor mensen die denken dat ze een superieure praktijk nodig hebben. Ook in zen moeten we daarmee oppassen want al te gauw zien we onze zenpraktijk als superieur en zitten we arrogant op ons kussen te denken we dat we beter zijn.

En stilaan emergeert er voor mij een patroon: vaak zie je dat de Boeddha en zijn latere volgelingen de doelen van hun toehoorders niet afwijzen maar ze gewoon meenemen, en tegelijkertijd een praktijk aanbieden. Als een brahmaan wil herboren worden in het rijk van de goden zegt de Boeddha: ‘prima’, en hij onderricht vervolgens de vier brahmaviharara’s. Als iemand geïnteresseerd is in bovennatuurlijke krachten die je kunt verwerven door meditatie zegt de Boeddha: ‘prima’, en hij voegt er nog een extra kracht aan toe: het bevrijden van de passies. Ik moet denken aan die zin van Jon Kabat-Zinn die ik zo vaak herhaald heb: ‘You don’t have to like it, you just have to do it.’ Het maakt niet uit waarom je het doet, als je het maar doet.

Waarom zou het bijgeloviger zijn om te mediteren om in een betere wereld herboren te worden, of om aardbevingen te voorkomen, of om op je kussen het perfecte geluk te bereiken? Het zijn allemaal doelen die in het wereldbeeld van hun tijd en hun plaats perfecte common sense zijn. De enige belangrijke vraag is wat je er mee doet, of wat het met jou doet. We zouden een grammaticale constructie moeten hebben die toelaat om de circulariteit hiervan in één zin te vatten.

Dat stelt mij ook gerust. Ik ben niet meer zo bang van een verwesterd boeddhisme, zelfs niet van een misbegrepen en oppervlakkige mindfulness. De buitenkant is niet het belangrijkste. Ik zie hoe de praktijk resoneert in het hart van mensen, in wat ze er uiteindelijk mee doen.